Onze Luchtmacht, nr 4 (september), 2012, blz 47

Officier in Afghanistan

Spannend: een rit onder pantser door Kabul. Ontluisterend: de wurgende bureaucratie bij de NAVO. Geestig: met een beenholster voor je dienstwapen kun je niet zittend plassen.

Luitenant-kolonel Esmeralda Kleinreesink schreef het allemaal op in haar boek Officier in Afghanistan (uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 2012, 222 blz., ISBN 978 90290 88459, prijs € 18,95).

Kleinreesink (1973) is universitair docent defensie economie aan de Nederlandse Defensie Academie. Van januari tot en met mei 2006 werd de luchtmachter uitgezonden naar Afghanistan als hoofd lucht- en grondtransportplanning voor de NAVO. Ze werkte op het hoofdkwartier in Kabul.

Ze steekt in haar boek niet onder stoelen of banken dat de Nederlandse luchtmacht tot de “absolute wereldtop” behoort. Bijvoorbeeld in een gesprek met de staatssecretaris van Defensie met wie ze in de Gulfstream terugvliegt naar Nederland.”Er zijn maar drie landen die durven landen met hun C-130’s op dirt strips als Qal’eh-ye Now, in het noordwesten van Afghanistan en Nederland is een van die drie.”

Verwacht in het boek geen gevechtsacties, dialogen met Afghanen of beschouwingen over nut en noodzaak van de missie. Kleinreesink beschrijft vooral klein leed. Zo komt ze er tijdens een binnenlandse vlucht in Afghanistan achter dat een C-130 Hercules geen vrouwentoilet aan boord heeft. Dankzij een behulpzame loadmaster kan ze toch haar behoefte doen.

Militairen die boeken schrijven moeten met hun water langs Defensievoorlichting. Opmerkelijk genoeg zijn kritische passages blijven staan. Zoals op pagina 100 als Kleinreesink worstelt met haar overnachtingkit. “Ik hang de rugzak om en klik automatisch mijn slaapzakrol aan mijn kogelwerende vest, zodat ik die op mijn buik kan dragen en mijn handen vrij heb. Dat lukt niet, want een van de bevestigingsclips doet het niet. Dat betekent dat ik de hele dag met die slaapzakrol in mijn hand moet sjouwen. Typisch Nederlands: dankzij alle bezuinigingen op defensie hebben we goed materieel, dat echter van elke luxe is ontdaan. Of het nu gaat om de nieuwe Bushmasters in Afghanistan waarvoor we geen oefenexemplaren voor in Nederland konden kopen, vliegtuigen die aan de grond staan omdat we geen reservedelen kunnen aanschaffen of kapotte bevestigingen aan kogelwerende vesten: Nederland vindt het heel belangrijk dat we op missie gaan, maar vindt het kennelijk niet belangrijk genoeg om er voldoende voor te betalen.”

Dat het boek een kijkje biedt “achter de schermen van onze militaire missie” (ondertitel) is niet waar. Voor de goegemeente bestond Afghanistan vooral uit de missie in Uruzgan. Dat er elders in het land ook nog veel Nederlandse militairen zaten en zitten is veelal onbekend. Kleinreesink geeft wel een verrassend beeld van de manier waarop het achter de schermen van een internationaal hoofdkwartier werkt. Of beter gezegd: niet werk. In de eetzaal gaat ze op zoek naar collega’s die Engels, Duits of desnoods Frans spreken. “Betekent dat ik Italianen, Spanjaarden en Oost-Europeanen moet zien te mijden.”

Ronduit jammer is dat de bevindingen van Kleinreesink pas zes jaar na haar missie verschijnen. Dat doet afbreuk aan de actualiteit. Want om nog even op die staatssecretaris in de Gulfstream terug te komen: dat moet de CDA’er Cees van der Knaap zijn geweest. “Hij trekt zich niets aan van het rookverbod,” signaleert Kleinreesink. Ze confronteert Van der Knaap met het schrijnende tekort aan luchttransportcapaciteit binnen de NAVO. Zou dat gesprekje in de Gulfstream dan toch de aanzet zijn geweest voor de aanschaf van de ‘Nederlandse’ C-17 Globemaster? (RP)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Bestel een gesigneerd exemplaar

Archief

Categorieën