Wetenschappelijk onderzoek

“Heb je Officier in Afghanistan geschreven als therapie?” was de winnende vraag uit de Bubobook.com wedstrijd voor de interessantste interviewvraag. Hij kwam van Coenraad uit Den Haag, die daarmee een gesigneerd exemplaar van Officier in Afghanistan won.

Veel mensen die ik spreek, veronderstellen dat militairen hun memoires schrijven om hun ervaringen op die manier te kunnen verwerken. Uit mijn proefschriftonderzoek blijkt dat militaire schrijvers ‘therapie’ echter zelden als reden om te schrijven noemen, slechts in 15% van de gevallen. De twee hoofdredenen om een boek te schrijven die meer dan de helft van de schrijvende militairen noemen zijn:

1) een verandering tot stand willen brengen

2) erkenning willen.

Ik heb Officier in Afghanistan geschreven omdat ik aangemoedigd ben door anderen, een schrijfmotief dat ik deel met 20% van de militaire schrijvers; in mijn geval ben ik gevraagd door uitgever Meulenhoff . Ik heb Officier in Afghanistan ook geschreven  omdat ik mensen wat bij wil brengen (57%), om lezers te entertainen (7%) en omdat het schrijven van een boek op mijn lijstje met dingen-om-te-doen-voor-je-dood-gaat stond(0%).

Wat zijn jouw schrijfmotieven?

Lees het volledige bubobooks.com interview op facebook.

LET OP: In mei is Officier in Afghanistan Boek-van-de-maand op buboboeks.com en daarom spotgoedkoop te downloaden voor maar 5,99 euro. Mooi op tijd voor de vakantie e-reader!

Een paar weken geleden gaf ik een gastcollege Taalredactie aan de Universiteit van Amsterdam. Na mijn uitleg dat ik wetenschappelijk onderzoek doe naar Nederlandse, Engelse en Duitse militaire autobiografieën was de eerste vraag: “Waarom  onderzoekt u geen Italiaanse boeken?”.  Enigszins beschroomd gaf ik toe dat ik geen woord Italiaans spreek.

Ik moest daar deze week aan denken toen ik met een Amerikaanse antropologie professor mijn onderzoek besprak.

“Fantastisch hoor, dat je wetenschappelijk onderzoek doet in drie taalgebieden,“  zei hij. “Wij Amerikanen spreken geen andere talen.”

“Als Engelsprekenden hoeft dat eigenlijk ook niet,” zei ik.

“Oh, maar dat is niet de hoofdreden,” zei hij. “Amerikanen houden van actie en praten is geen actie. Talen leren dus ook niet.”

Da’s een fascinerend ander uitgangspunt.

“Oorlogsverslaggever Arnold Karkens maakt gehakt van Officier in Afghanistan,” zegt Wereld in Oorlog in haar vier-sterren recensie van Officier in Afghanistan. Om te vervolgen: “Zijn kritiek kwam overigens zonder dat hij het boek ook maar had gelezen. Dat is nogal kortzichtig, want verwijten dat de schrijfster partijdig zou zijn, blijken geheel onterecht.”

In eerste instantie dacht ik tijdens de Twitter conversatie waar Wereld in Oorlog aan refereert nog dat Karskens wellicht geïrriteerd was over de beschrijving* van een niet nader genoemde onafhankelijke journalist in mijn boek. Maar dat leek het niet te zijn, het zit dieper. Karskens gaat ervan uit dat een boek van een militair een “propaganda brochure” (06:00 AM – 02 Jul 12) is. Hij wil Officier in Afghanistan dan ook niet lezen: “ik lees liever de echte waarheid” (05:13 AM – 03 Jul 12).

Een interessante stellingname: dat boeken die door militairen zijn geschreven per definitie niet de waarheid beschrijven. Zouden militaire schrijvers dat ook vinden? Dat is een vraag waar ik met mijn proefschriftonderzoek direct antwoord op kan geven. Internationaal gezien geeft 60% van de militaire auteurs in hun voorwoord aan te vinden dat ze de waarheid vertellen. Voor sommigen is dat ‘de’ waarheid (in de bovenstaande grafiek aangeduid met ‘objectief’), anderen vinden dat ze ‘hun’ waarheid vertellen (‘subjectief’ in de grafiek).

Anthony Shaffer, de schrijver van Operation Dark Heart schrijft bijvoorbeeld:

This book is based on my recollections […].  I also drew on a journal that I kept at the time. While memory is never 100 percent accurate, I’ve done my best, with the help of others, to tell the story truthfully. (blz xi)

Conclusie: Militaire auteurs vinden het belangrijk om te laten weten dat zij vinden dat ze de waarheid beschrijven, zelfs als sommige journalisten dat a priori afwijzen.

 

*Het stukje over de niet nader genoemde onafhankelijke journalist:

Ik word uit deze netelige situatie gered door een kleine man met een baard van twee dagen, die een glimlach om zijn mond heeft, maar wiens ogen niet meelachen.

‘Klopt het dat u het hoofd luchttransportplanning van de navo bent?’ vraagt hij.

‘Correct,’ zeg ik.

Hij stelt zich voor, zowel aan mij als aan de ambassadeur en concentreert zich dan direct weer op mij.

‘Ik ben als onafhankelijk journalist hier in het gebied en ik zou graag naar Tarin Kowt, de toekomstige Nederlandse basis in Uruzgan gaan. Kunt u mij misschien op een vlucht plaatsen?’

Ik moet op mijn tong bijten om de vraag binnen te houden of zijn onafhankelijkheid niet geschaad wordt door gebruik te maken van de transportdiensten van militairen. Geïnspireerd door de diplomatieke omgeving en mijn eerdere fuck-up doe ik dat niet en ik ben trots op mezelf. Diplomaat is tenslotte een van de vele rollen die een hedendaagse militair feilloos moet kunnen vervullen, naast die van ontwikkelingswerker, bestuurder-manager en militair uiteraard. De 3D-aanpak wordt dat genoemd, ook wel bekend als de ‘Dutch Approach’: Defense, Diplomacy, Development.

‘Helaas, de navo voert op dit moment nog geen vluchten op stage four locaties als Uruzgan uit, maar wellicht vliegt Nederland al wel op Uruzgan.’ Ik wijs naar een van de officieren met wie ik ben aangekomen. ‘De Nederlandse chef staf, die dame daar, kan u daar meer over vertellen.’

Als een zoef-de-haas is hij onmiddellijk weer weg. Zelfs een dankjewel kan er niet van af.

(Officier in Afghanistan, blz 168-169)

 

Het septembernummer van veteranenblad Checkpoint heeft een mooie recensie van Officier in Afghanistan opgenomen. Ze hebben het over ‘grappig verhalen en anekdotes’,  ‘uniek en soms kritisch’ en ‘humoristisch en vlot geschreven’. Daar ben ik uiteraard erg blij mee.

Defensiegeklaag

Wel jammer is dat er twee keer in de tekst wordt gesuggereerd dat ik in het boek klaag over de Nederlandse Defensie: ‘tevens geeft zij hiermee een signaal af dat er bij Defensie nog heel wat te verbeteren valt’  en even later ‘een uniek en soms kritisch inkijkje in de manier waarop de Nederlandse Defensieorganisatie werkt’.

NAVO-geklaag

Dat moet ik toch even rechtzetten. Dat doe ik namelijk niet in het boek. Ik zal niet ontkennen dat ik bij tijd en wijle klaag en kritische inkijkjes geef, maar dat doe ik over de NAVO bureaucratie, niet die van de Nederlandse Defensie. Ik zou niet durven. Zoals ook uit de eerste resultaten van mijn proefschriftonderzoek naar boeken van militaire schrijvers blijkt: negatieve plots worden vrijwel alleen geschreven door militairen die al uit dienst zijn (p=0,005) :)

De hele recensie is hier te lezen.

 

Muhammad Ali Pasha
“Het pasha-syndroom, dat klinkt leuk!”, zegt de sociologie professor terwijl hij in zijn achterzak naar zijn iPhone grijpt om een aantekening te maken. We zitten op een terras bij het water met zes militaire sociologen uit Nederland, België en Turkije en hebben het over luie, dikke, machtige mannen en hoe je die omschrijft in verschillende talen.“En wat is dat syndroom dan?” vraag ik.

“Ah, dat komt wel. Eerst inspiratie en een leuke naam en dan volgt het syndroom vanzelf wel.”

Dus dat is die inspiratie waarover in de wetenschap zo geheimzinnig wordt gedaan. Leerzaam hoor, zo’n wetenschappelijke conferentie.

Bestel een gesigneerd exemplaar

Archief

Categorieën