I get often asked: will you be writing a new book?  The answer is: yes, I’ve been working on it for the last four years. But it will be a different book than Officier in Afghanistan. Instead of a military autobiography, it will be a book ABOUT military autobiographies: my PhD research.

It is now almost ready. At the moment, the inner doctoral committee (‘de leescommissie’) is reading the manuscript and when they are happy with it, the accompanying promotion ceremony will be held at the Erasmus University Rotterdam on the symbolic date of September 11 at 13:30 hours .

To give you some idea of the exciting results of this research, I would like to share the fifteen most remarkable statistical results. They come from the study of all military Afghanistan memoirs that were published between 2001 and 2010 in five different countries: the US, the UK, Canada, Germany and the Netherlands. They answer the three main research questions: who are these soldier-authors, what do they write about and why do they write?

 Who

  • On average it takes military authors of immediate memoirs two years before they publish a book after having been deployed, irrespective of whether they publish with a self-publisher or a traditional publisher.
  • In a warrior nation a book is 12 times more likely to be written by a kinetic[1] author than in a non-warrior nation.
  • Independent of country, kinetic soldiers are nine times more likely to get published by a traditional publisher than their non-kinetic colleagues.
  • Even though the individually deployed soldier is more likely to be a writer than the soldier who is deployed with his own unit, traditional publishers are five times more interested in publishing the stories from people who went with their own unit than from the individually deployed ones.
  • The same goes for professional soldiers, they are almost eight times more likely to get published by a traditional publisher than a reservist

What

  • Revelatory plots (growth and disenchantment plots together) make up the majority (69%) of Afghanistan memoirs.
  • Working soldiers are nine times more likely to write positive plots than former soldiers.
  • A kinetic soldier-author is almost four times more likely to write a negative plot than a non-kinetic soldier.
  • Soldier-authors with a traditional publisher are four times more likely to add a truth claim to their books than self-publishers.
  • A large part of all soldier-authors (59%) make some kind of disclaimer as to the content of their book; almost always (in 97% of the cases) about some form of self-censorship for operational security reasons, rarely (12%) for literary reasons.

Why

  • 78% of all soldier-authors feel the need to explicitly explain why they wrote and published their book.
  • A positive plot is five times more likely not to have an explanatory motivation text than a negative plot.
  • Authors of negative plots are five times more likely to voice a desire for change than authors of positive plots.
  • Soldier-authors who write that they themselves have experienced some kind of mental adaptation problem (such as PTSD symptoms or prolonged alienation) are eighteen  times more likely to admit to writing as a form of therapy than people who do not write about these problems.
  • Of all soldier-authors who give self-help motives, 79% is individually deployed, and individually deployed soldiers are almost six times more likely to give self-help motives than soldiers who have been deployed with their own unit. 


[1] Kinetic soldiers are soldiers who use their weapon primarily for offensive instead of defensive purposes

Altijd leuk als de minister van Defensie speecht over een directe collega. Zeker als ze daarbij ook nog een interessant wetenschappelijk fenomeen aanroert. In dit geval het female combat taboo: het fenomeen dat mannelijke militairen het eigenlijk maar vervelend vinden als vrouwelijke militairen ook heldhaftige dingen doen, omdat dat niet helemaal past in in hun mannelijke zelfbeeld.

Hierbij het verhaal achter het gevechtsinsigne van majoor Mirjam Grandia uit de speech van de minister van Defensie die zij gaf tijdens de bijeenkomst van het vrouwennetwerk Femmes Leaders Nederland op 22 januari 2013.

Onze vrouwelijke militairen hebben tevens laten zien dat zij zich in gevechtssituaties uitstekende staande houden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het verhaal van majoor Mirjam Grandia. In 2006 werd zij gestationeerd in Afghanistan als planner. Maar het werk binnen de muren benauwde haar.

Ze liet het er niet bij zitten en bemachtigde op eigen initiatief een plekje in een Amerikaans ‘Provincial Reconstruction Team’. Een team dat actief was in Uruzgan, vlak na de grootschalige actie ‘Operation PERTH’. Operation PERTH was de grootschalige operatie tussen 9 en 19 juli waarbij de Taliban werden verdreven uit de Baluchi-vallei in de provincie Uruzgan. Vlak voor de start van de Nederlandse ‘Missie Uruzgan’. Deze operatie zorgde ervoor dat de omstandigheden waaronder de Task Force Uruzgan op 1 augustus 2006 zijn missie kon beginnen aanzienlijk werden verbeterd.

Niet lang na die operatie maakte majoor Grandia deel uit van een tweedaagse patrouille om in Chora informatie te verzamelen over mogelijk achtergebleven Talibanstrijders. Uitvalbasis van het team was ‘the white compound’ in Chora, later gebruikt door de Taskforce Uruzgan als permanente basis.

Samen met twee vrouwelijke Amerikaanse soldaten kreeg zij de opdracht om contact te leggen met de Afghaanse vrouwen. Dat zou voor het eerst zijn. Tot dat moment had het team überhaupt nog geen pogingen ondernomen om met de lokale vrouwen te praten. De Amerikaanse commandant van het team vond het namelijk maar niks. Het beeld was dat er zo weinig mogelijk vrouwen aan patrouilles zouden moeten meedoen, te onveilig. En vrouwen in een gevechtseenheid? Dat zou alleen maar problemen geven…

De commandant moest zijn mening al snel herzien. Met succes wisten Grandia en haar collega’s waardevolle informatie te verzamelen. Bijvoorbeeld door bezoeken aan de plaatselijke gezondheidskliniek, waar de Afghaanse vrouwen zonder hun man naar toe gaan en vrijuit kunnen praten. Diverse achtergebleven Taliban-strijders konden worden opgepakt.

Op de terugweg door de vallei, richting de uitvalsbasis, ging het echter mis. Het Provincial Reconstruction Team werd bij het dorpje Shurg Murgab aangevallen door vijandelijke strijders en er volgde een hevig gevecht. Het PRT splitste zich op. Vier voertuigen gingen het gevecht aan in het dorp en vier voertuigen namen op een hoger gelegen gebied positie in om vuurdekking te bieden aan de militairen in het dorp.

Majoor Grandia was op dat moment de enige vrouwelijke militair in het dorp en kreeg de order om in één van de voertuigen te blijven zitten om het radioverkeer tijdens het vuurgevecht te monitoren,  terwijl haar mannelijke collega’s gevechtsposities innamen.

Toen de ‘gunner’ op het dak van het voertuig - waar Grandia zich op dat moment in bevond – niet meer in staat was om de anderen dekking te geven, besloot zij actie te ondernemen. Ze verplaatste het voertuig verder het dorp in. Hoewel ze tegen de orders in dit initiatief nam, was haar actie ontzettend welkom. De ‘gunner’ kon weer vuurdekking geven aan de mannen op de grond. Uiteindelijk na een drie uur durend gevecht besloot de missieteamcommandant om het gevecht af te breken. Het team wist zich succesvol terug te trekken. Slechts één van de soldaten raakte lichtgewond.

Ze eindigt haar speech met de woorden:

.. maak van je ambitieuze hart geen moordkuil. Durf risico’s te nemen. Dat is wat ik zelf heb ervaren, dat is wat ik binnen de krijgsmacht elke dag weer mag ervaren en dat is wat bijvoorbeeld majoor Grandia in Afghanistan heeft laten zien.

Ze heeft daarvoor een gevechtsinsigne gekregen.

Maar zelfs dat ging niet vanzelf. In eerste instantie ontkenden de (Amerikaanse) mannelijke collega’s haar waardevolle rol. Een bekend fenomeen. De wetenschap noemt dit het ‘female combat taboo’. Majoor Grandia liet zich er niet door ontmoedigen, zij heeft zich verder ontwikkeld en ingezet. Binnenkort promoveert zij op een studie naar de besluitvorming rondom de Nederlandse missies. En natuurlijk heeft zij volkomen terecht haar gevechtsinsigne ontvangen. Waarvoor hulde!

Kippenvel.

In de hal van de FacultCertificaat dat garandeert dat vlag in Kabul heeft gewapperdeit Militaire Wetenschappen hangt sinds kort een heel vieze Nederlandse vlag. Meegenomen door een collega die net terug is van een uitzending in Kabul, Afghanistan. “Hij is wel gewassen”, zegt hij. Ik begrijp dat de Kabulse lucht nog net zo vies zwart is als toen ik er in 2006 was. De opening van Officier in Afghanistan begint niet voor niets met een schoonmaakscène*.

Certificaat

Vol trots hangt er een certificaat bij, met de handtekening van een Amerikaanse generaal erop.

Het certificaat garandeert dat de vlag ‘was flown in the face of the enemy over the NATO compound’. En niet zomaar, maar ter ere van de Faculty of Military Science. Ons dus.

Ondervragen

In een van de boeken in mijn proefschriftonderzoek komen dit soort vlaggen ook voor. In Vragenvuur (oorspronkelijke Engelse titel: The Interrogators) van de Amerikaanse ondervrager Chris Mackey worden in de ondervragingsruimte aan de muren Amerikaanse vlaggen opgehangen, waar de gevangenen constant door omringd worden. Deze vlaggen worden later in de kampwinkel te koop aangeboden met een soortgelijk certificaat. Het is niet zomaar een Amerikaanse vlag, maar een die langdurig in het aangezicht van een overwonnen tegenstander heeft gehangen. Ik moet eerlijk zeggen dat me dat toen ik het las een onbehagelijk gevoel gaf. Ik vond het van weinig respect naar de tegenstander toe getuigen. En nu hangt er iets soortgelijks bij mij in de gang.

Als ik over dat onbehagen met de vlagophanger praat, moet hij lachen: “Ach, het is leuke gespreksstof, nietwaar?”

Ik ben wel benieuwd naar wat u hiervan vindt. Voelt u zich hier ook ongemakkelijk bij, of vindt u zo’n lekker puh vlag juist een goed idee?

Zo'n lekker puh vlag vind ik...

View Results

Loading ... Loading ...

Nederlandse vlag die in Kabul heeft gewapperd* Dit is die openingsscène van Officier in Afghanistan:

Met een schoonmaakdoekje in mijn ene hand en een flacon met blauw ontsmettingsmiddel in de andere sta ik op mijn eerste dag in Afghanistan een bureau te poetsen. Dit was niet helemaal wat ik me had voorgesteld toen ik een half jaar geleden een telefoontje van het Operatie Centrum van de Luchtmacht kreeg met de vraag of ik zin had in een uitzending als hoofd bureau Lucht- en grondtransportplanning voor de NAVO in Afghanistan. Het beeld dat bij mij opkwam, was van een vluchtplanningskamer met grote televisieschermen, overal klokken met de tijden van vliegvelden over de hele wereld en rode tickertape waar de meest recente vluchtgegevens voorbijkwamen. Ik zag mezelf al in een stoer desertuniform met een kogelwerend vest eroverheen en een Lara Croft-holster om mijn rechterbeen.
Schoonmaakdoekjes en ontsmettingsmiddel kwamen in mijn fantasie niet voor.

Het septembernummer van het veteranenblad Checkpoint  is een special over veteranenboeken. Omdat ik wetenschappelijk onderzoek naar internationale militaire schrijvers doe, wilde de redactie graag weten of Nederlandse veteranenauteurs anders zijn dan militaire schrijvers uit andere landen. Mijn antwoord op die vraag is in onderstaande artikel te vinden. De uiteindelijke, opgemaakte versie staat in deze pdf.

Onderzoek naar militaire boeken in binnen- en buitenland

Schrijven Nederlandse veteranen anders?

Het Veteraneninstituut organiseert op 26 en 27 september een tweedaags symposium over veteranenboeken. De eerste dag gaat het vooral over Engelstalige boeken, de tweede dag komen Nederlandse veteranen aan het woord over hun ervaringen met boeken. Esmeralda Kleinreesink, zelf Afghanistanveteraan en schrijver, doet aan de Defensie Academie een vergelijkend onderzoek naar Nederlandse en buitenlandse veteranen die boeken schrijven. Speciaal voor Checkpoint doet zij verslag van haar bevindingen.

Al sinds jaar en dag wijdt Checkpoint in elke uitgave aandacht aan militaire boeken in de rubriek Checkboek. Het vullen van die rubriek is nooit een probleem, want er worden genoeg boeken over, maar ook door militairen geschreven. Zoveel, dat vorig jaar de stichting Nederlandse Veteranendag zelfs besloot om een aparte Veteranenboekendag te organiseren om schrijvende veteranen een podium te bieden. Die eerste boekendag vond plaats in boekenmuseum Meermanno in Den Haag, waar momenteel ook een expositie over de militaire boekcultuur in Nederland te zien is. Kortom: schrijvende militairen zijn hot.

Afghanistanboeken

Dat roept wel gelijk een heleboel vragen op: wie zijn die militaire schrijvers eigenlijk, waarom schrijven ze en zijn veteranenschrijvers in Nederland anders dan die in andere landen? Voor het onderzoek is gekeken naar alle autobiografische boeken over Afghanistan die veteranen uit vijf verschillende landen hebben uitgegeven tussen 2001 en 2010. Dat zijn er zowel in Nederland als in Duitsland 7, in Engeland 15, in de Verenigde Staten 22 en in Canada (Engelstalig) 3, dus 54 in totaal. Hoe meer militairen een land uitzendt, hoe meer boeken er worden geschreven: voor de Afghanistanmissie geldt dat gemiddeld één boek wordt uitgegeven per 6.000 uitgezonden militairen. Die boeken worden heel snel uitgegeven, meestal binnen twee jaar nadat de militair terug is van uitzending. In Nederland zijn in deze periode zeven Afghanistanboeken verschenen: Voor de verandering (Gilbert Silvius, Boekenplan, 2007), Taskforce Uruzgan (Gijs Scholtens, Aspekt, 2007), Een reservist in Uruzgan (Reinder Bielleman, Mijn eigen boek, 2009), Huisarts in Uruzgan (Martien van der Heijden, Servo, 2009), Consultant in het groen (Florentien Braat, Boekenplan, 2009), Berichten uit Kandahar (Frits Heukers, Boekscout, 2010) en de bekendste Soldaat in Uruzgan (Niels Roelen, Carrera, 2009).

Wie publiceert?

Wat opvalt in dit rijtje, is dat maar twee van de boeken bij traditionele uitgevers zijn uitgegeven: Soldaat in Uruzgan van Niels Roelen bij Carrera en Taskforce Uruzgan. Op zoek naar het recht, van Gijs Scholtens bij Aspekt, alle andere veteranenschrijvers betalen zelf om gepubliceerd te worden. Dat is een typisch Nederlands verschijnsel, in geen van de andere landen worden zoveel militaire boeken zelf uitgegeven (zie figuur 1). Alleen de VS kent ook veel zelf uitgevende militairen. Enerzijds zal dat te maken hebben met het feit dat in Nederland en de VS veel mogelijkheden om zelf uit te geven zijn, maar zeker in Nederland zal ook een gebrek aan commerciële interesse in militaire verhalen bij de traditionele uitgevers een rol spelen.

Wie schrijft?

Wat ook typisch Nederlands is, is dat er verhoudingsgewijs veel reservisten boeken schrijven, zeker als je het vergelijkt met de relatief kleine hoeveelheid reservisten die de Nederlandse krijgsmacht heeft. Alleen Niels Roelen en Martien van der Heijden zijn in vaste dienst, alle andere schrijvers zijn reservist. Maar dat valt wel te verklaren met een fenomeen dat in alle landen zichtbaar is, namelijk dat uitzonderlijk veel van de militaire schrijvers (en reservisten) individueel uitgezonden zijn. Het lijkt erop dat militairen die niet met hun eigen eenheid op uitzending zijn geweest sneller de neiging hebben om een boek over hun ervaringen te schrijven. En dat is natuurlijk niet zo gek, want zij hebben veel minder andere uitlaatkleppen om hun ervaringen te delen. Uit Pools onderzoek blijkt dat soldaten het liefst en het meest met andere soldaten praten over hun ervaringen, maar juist die collega’s die hetzelfde hebben meegemaakt op uitzending ontbreken voor individueel uitgezonden soldaten.

Schrijfmotieven

Dat wil overigens niet zeggen dat militaire schrijvers dat zelf ook als belangrijkste reden om te gaan schrijven aangeven. Als je kijkt naar de redenen die ze in hun eigen boeken geven waarom ze schrijven (zie figuur 2), dan valt op dat militairen in alle landen weinig praten over hoe het schrijven van hun boek hem of haar zelf heeft geholpen. In Nederland geeft niemand dat als schrijfmotivatie. Het helpen van anderen is echter zowel in Nederland als in andere landen wel een belangrijk schrijfmotief. Braat begint bijvoorbeeld het nawoord van Consultant in het groen als volgt: ‘Dit boek afsluiten zonder geleerde lessen (lessons learned) zou een gemiste kans zijn.’ Ook het teweegbrengen van een verandering is belangrijk voor militaire schrijvers, bijvoorbeeld door hun lezers iets nieuws te leren. Bielleman begint Een reservist in Uruzgan met: ‘Dit verhaal probeert vooral die zaken die het nieuws niet halen, eens onder aandacht te brengen. Maar ook wat meer te vertellen over de dagelijkse problemen die onze mannen en vrouwen die daar werken tegenkomen.’

Wat heel erg opvallend is, is dat geen van de Nederlandse schrijvers rept over dat ze meer erkenning willen, voor zichzelf of voor anderen. Geen van de Nederlandse boeken heeft bijvoorbeeld een dodenlijst of een lijst met gedecoreerden achterin het boek, iets wat in alle andere landen wel voorkomt. Ook wordt er in de voor- en nawoorden van de Nederlandse boeken niet geklaagd over gebrek aan erkenning, zoals bijvoorbeeld de Engelse auteur van Task Force Helmand, Doug Beattie, wel doet: ‘Many of these brave soldiers have drifted off into obscurity, their exploits never to be recognized by anyone other than friends and family.’ Of gebrek aan erkenning als schrijfmotief wordt opgevoerd door schrijvers, hangt heel erg samen met de vraag of er voldoende aandacht in een land is voor de missie. Voor Afghanistan was die aandacht er in Nederland absoluut, terwijl die er in de VS bijvoorbeeld veel minder was, omdat daar de oorlog in Irak alle aandacht trok. Ook in een land als Duitsland, dat na de Tweede Wereldoorlog niets meer van militairen en oorlog moet hebben, is ‘erkenning’ juist wel een erg belangrijk schrijfmotief.

Positieve verhalen

Nederlandse Afghanistanveteranen die tussen 2001 en 2010 een boek over hun ervaringen schreven, schrijven unaniem positieve verhalen: ze zijn als persoon gegroeid, hebben er veel van geleerd en willen graag aan de buitenwereld laten zien dat ze goed bezig geweest zijn. Dat is niet in elk land het geval (zie figuur 3). Of schrijvers overwegend positief of negatief zijn, hangt af van twee factoren: of ze combattant zijn en of ze nog voor Defensie werken. Om met het laatste te beginnen: schrijvers die nog voor Defensie werken op het moment dat hun boek wordt uitgegeven, schrijven veel positievere verhalen dan mensen die uit dienst zijn. En combattanten – militairen die hun wapen in eerste instantie dragen om het actief te gebruiken, niet voornamelijk uit zelfverdediging – schrijven veel negatievere verhalen dan non-combattanten.
Gezien het feit dat alle Nederlandse auteurs nog in dienst van Defensie waren bij het uitkomen van hun boek en onder de Nederlandse auteurs de non-combattanten overheersen – met twee business consultants (Braat en Silvius), een econoom (Heukers), een bouwkundige (Bielleman), een arts (Van der Heijden) en een jurist (Scholtens) – is het dan ook niet verbazingwekkend dat juist in Nederland de positieve verhalen overheersen.

Weinig verschillen

Al met al is dan ook de conclusie dat Nederlandse veteranenschrijvers niet zo heel erg veel afwijken van hun collega’s uit andere landen. Er worden hier relatief gezien net zoveel boeken geschreven als in andere landen, net als in andere landen voor een opvallend groot gedeelte door militairen die individueel zijn uitgezonden geweest en om redenen die vooral met het helpen van anderen te maken hebben. De verschillen die er zijn, bijvoorbeeld de positieve verhalen en het ontbreken van het schrijfmotief ‘erkenning’, zijn volledig te verklaren uit de algemene onderzoekresultaten. Kortom: Nederlandse militaire schrijvers zijn soms anders dan schrijvers uit andere landen, maar meestal niet.

Voor iedereen die gek is op militaire boeken en meer wil weten over de schrijvers achter die boeken organiseert het Veteraneninstituut twee ontzettend leuke dagen op 26 en 27 september.

Marlantes: Matterhorn

De eerste dag (donderdagmiddag van 12:30-18:00 uur) hebben ze o.a. bestseller auteur Karl Marlantes van Matterhorn uitgenodigd en Patrick Bury (van Callsign Hades).  Ook worden er een aantal inleidingen gehouden over schrijvende veteranen.  Zo zal majoor Jos Groen (de samensteller van o.a. Task Force Uruzgan 2006-2010) de algemene inleiding verzorgen en zal ik in een half uurtje de belangrijkste resultaten van mijn proefschriftonderzoek presenteren: welke militairen kiezen ervoor om hun ervaringen op papier te zetten, waarom zeggen ze dat ze dat doen en waarover schrijven ze dan?

Prof. Woodward

Wat ik erg leuk vindt is dat de dag aan elkaar gepraat wordt door professor Rachel Woodward van de universiteit van Newcastle. Waar ik alle (internationale) autobiografieën over de missie in Afghanistan onderzoek (54 stuks), doet zij, samen met Neil Jenkings, alle Britse militaire memoires sinds 1980 (150+).  Afgelopen mei ben ik bij beiden op bezoek geweest en dat was een erg inspirerende week.  Het was heerlijk om eens met andere wetenschappelijke specialisten in de diepte te kunnen gaan. Met haar als dagvoorzitter gaat het ongetwijfeld inhoudelijk ergens over, maar wordt er zeker ook gelachen.

Veteranenboeken Top 10

De tweede dag (vrijdag 27 september, van 10:00-17:30 uur) is een Nederlandstalige dag met allerlei workshops, lezingen, een boekenmarkt en de bekendmaking van de Veteranenboeken Top 10. Niet alleen leuk voor fans van militaire boeken, maar ook voor (ex)militairen die zelf (willen) schrijven.

En voor de echte Nederlanders onder ons: beide dagen zijn gratis.  Aanmelden voor een van beide dagen (of allebei) kan nog tot 17 september via info@veteraneninstituut.nl of 0343-474150.

In de uitnodigingen voor de Engelstalige dag en voor de Nederlandse dag is het hele programma voor die dag te vinden.

Kom je ook?

Categorieën