Hoer op Quest (foto Denise Leidelmeijer)Ik was op Beukbergen, het vormingscentrum van de krijgsmacht. Met 10 andere vrouwen van het Defensie vrouwennetwerk op een themabijeenkomst over mindfulness. Leuk. Even het gevoel hebben dat het volstrekt normaal is om als vrouw bij defensie te werken, in plaats van een van de 10% te zijn.

Tot we op de leestafel een Quest zagen liggen met het thema ‘vrouwen de baas’. Op de voorkant had iemand met blokletters het woord ‘hoer’ geschreven.

De mindfulnesstraining kwam gelijk goed van pas.

 

“Waar ben je eigenlijk doctor in geworden?” vraagt iemand op de borrel.

Ik heb geen idee. Ik ben een bedrijfskundige, maar promoveer aan de Erasmus School of History, Culture and Communication, bij een socioloog en een historicus op een interdisciplinair onderwerp dat literatuurwetenschappen, sociologie, psychologie, geschiedenis en militaire wetenschappen combineert.

Vanochtend pak ik nieuwsgierig de bul erbij, benieuwd naar het antwoord. Het is een prachtige bul, met het logo van de Erasmus Universiteit in reliëf, deels met de hand gekalligrafeerd en met een vuistgroot, rood zegel eronder. Om het af te maken is het opgesteld in de lingua franca van de wetenschap van een paar eeuwen geleden: Latijn. Indrukwekkend, maar niet bijster behulpzaam.

Voor zover mijn twee jaar Latijn reikt, denk ik dat het antwoord in de zinsnedes ‘in disciplinis ingenuis disquisitionem’ en de ‘ut bonarum artium studiosi peractis studiis’ zit. Maar geen idee wat dan.

Met lichte tegenzin maak ik voor het eerst van mijn leven gebruik van de vijand van de professionele vertaler: Google Translate. Tot mijn grote opluchting komt Google Translate niet veel verder dan ‘vrije kunsten van voltooide studies’ en ‘liberale nominaties’. Voorlopig hebben wij menselijke vertalers nog genoeg te doen.

Maar wat ik nou ben? Doctor in de liberal arts? Wie het weet mag het zeggen. Maar zoals een collega doctor op de borrel zei: “Ik heb eigenlijk geen idee waar ik doctor in ben. Boeien.”

Mijn proefschrift On Military Memoirs lezen? Dat kan hier.

Het lekenpraatje beluisteren (14:50)? Dat kan hier.

I get often asked: will you be writing a new book?  The answer is: yes, I’ve been working on it for the last four years. But it will be a different book than Officier in Afghanistan. Instead of a military autobiography, it will be a book ABOUT military autobiographies: my PhD research.

It is now almost ready. At the moment, the inner doctoral committee (‘de leescommissie’) is reading the manuscript and when they are happy with it, the accompanying promotion ceremony will be held at the Erasmus University Rotterdam on the symbolic date of September 11 at 13:30 hours .

To give you some idea of the exciting results of this research, I would like to share the fifteen most remarkable statistical results. They come from the study of all military Afghanistan memoirs that were published between 2001 and 2010 in five different countries: the US, the UK, Canada, Germany and the Netherlands. They answer the three main research questions: who are these soldier-authors, what do they write about and why do they write?

 Who

  • On average it takes military authors of immediate memoirs two years before they publish a book after having been deployed, irrespective of whether they publish with a self-publisher or a traditional publisher.
  • In a warrior nation a book is 12 times more likely to be written by a combat soldier than in a non-warrior nation.
  • Independent of country, combat soldiers are nine times more likely to get published by a traditional publisher than their combat support colleagues.
  • Even though the individually deployed soldier is more likely to be a writer than the soldier who is deployed with his own unit, traditional publishers are five times more interested in publishing the stories from people who went with their own unit than from the individually deployed ones.
  • The same goes for professional soldiers, they are almost eight times more likely to get published by a traditional publisher than a reservist

What

  • Revelatory plots (growth and disenchantment plots together) make up the majority (69%) of Afghanistan memoirs.
  • Working soldiers are nine times more likely to write positive plots than former soldiers.
  • A combat soldier-author is almost four times more likely to write a negative plot than a combat support soldier.
  • Soldier-authors with a traditional publisher are four times more likely to add a truth claim to their books than self-publishers.
  • A large part of all soldier-authors (59%) make some kind of disclaimer as to the content of their book; almost always (in 97% of the cases) about some form of self-censorship for operational security reasons, rarely (12%) for literary reasons.

Why

  • 78% of all soldier-authors feel the need to explicitly explain why they wrote and published their book.
  • A positive plot is five times more likely not to have an explanatory motivation text than a negative plot.
  • Authors of negative plots are five times more likely to voice a desire for change than authors of positive plots.
  • Soldier-authors who write that they themselves have experienced some kind of mental adaptation problem (such as PTSD symptoms or prolonged alienation) are eighteen  times more likely to admit to writing as a form of therapy than people who do not write about these problems.
  • Of all soldier-authors who give self-help motives, 79% is individually deployed, and individually deployed soldiers are almost six times more likely to give self-help motives than soldiers who have been deployed with their own unit. 
Read the entire thesis here.
Listen to and look at the public defense ceremony (15 minutes, in Dutch)

Altijd leuk als de minister van Defensie speecht over een directe collega. Zeker als ze daarbij ook nog een interessant wetenschappelijk fenomeen aanroert. In dit geval het female combat taboo: het fenomeen dat mannelijke militairen het eigenlijk maar vervelend vinden als vrouwelijke militairen ook heldhaftige dingen doen, omdat dat niet helemaal past in in hun mannelijke zelfbeeld.

Hierbij het verhaal achter het gevechtsinsigne van majoor Mirjam Grandia uit de speech van de minister van Defensie die zij gaf tijdens de bijeenkomst van het vrouwennetwerk Femmes Leaders Nederland op 22 januari 2013.

Onze vrouwelijke militairen hebben tevens laten zien dat zij zich in gevechtssituaties uitstekende staande houden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het verhaal van majoor Mirjam Grandia. In 2006 werd zij gestationeerd in Afghanistan als planner. Maar het werk binnen de muren benauwde haar.

Ze liet het er niet bij zitten en bemachtigde op eigen initiatief een plekje in een Amerikaans ‘Provincial Reconstruction Team’. Een team dat actief was in Uruzgan, vlak na de grootschalige actie ‘Operation PERTH’. Operation PERTH was de grootschalige operatie tussen 9 en 19 juli waarbij de Taliban werden verdreven uit de Baluchi-vallei in de provincie Uruzgan. Vlak voor de start van de Nederlandse ‘Missie Uruzgan’. Deze operatie zorgde ervoor dat de omstandigheden waaronder de Task Force Uruzgan op 1 augustus 2006 zijn missie kon beginnen aanzienlijk werden verbeterd.

Niet lang na die operatie maakte majoor Grandia deel uit van een tweedaagse patrouille om in Chora informatie te verzamelen over mogelijk achtergebleven Talibanstrijders. Uitvalbasis van het team was ‘the white compound’ in Chora, later gebruikt door de Taskforce Uruzgan als permanente basis.

Samen met twee vrouwelijke Amerikaanse soldaten kreeg zij de opdracht om contact te leggen met de Afghaanse vrouwen. Dat zou voor het eerst zijn. Tot dat moment had het team überhaupt nog geen pogingen ondernomen om met de lokale vrouwen te praten. De Amerikaanse commandant van het team vond het namelijk maar niks. Het beeld was dat er zo weinig mogelijk vrouwen aan patrouilles zouden moeten meedoen, te onveilig. En vrouwen in een gevechtseenheid? Dat zou alleen maar problemen geven…

De commandant moest zijn mening al snel herzien. Met succes wisten Grandia en haar collega’s waardevolle informatie te verzamelen. Bijvoorbeeld door bezoeken aan de plaatselijke gezondheidskliniek, waar de Afghaanse vrouwen zonder hun man naar toe gaan en vrijuit kunnen praten. Diverse achtergebleven Taliban-strijders konden worden opgepakt.

Op de terugweg door de vallei, richting de uitvalsbasis, ging het echter mis. Het Provincial Reconstruction Team werd bij het dorpje Shurg Murgab aangevallen door vijandelijke strijders en er volgde een hevig gevecht. Het PRT splitste zich op. Vier voertuigen gingen het gevecht aan in het dorp en vier voertuigen namen op een hoger gelegen gebied positie in om vuurdekking te bieden aan de militairen in het dorp.

Majoor Grandia was op dat moment de enige vrouwelijke militair in het dorp en kreeg de order om in één van de voertuigen te blijven zitten om het radioverkeer tijdens het vuurgevecht te monitoren,  terwijl haar mannelijke collega’s gevechtsposities innamen.

Toen de ‘gunner’ op het dak van het voertuig – waar Grandia zich op dat moment in bevond – niet meer in staat was om de anderen dekking te geven, besloot zij actie te ondernemen. Ze verplaatste het voertuig verder het dorp in. Hoewel ze tegen de orders in dit initiatief nam, was haar actie ontzettend welkom. De ‘gunner’ kon weer vuurdekking geven aan de mannen op de grond. Uiteindelijk na een drie uur durend gevecht besloot de missieteamcommandant om het gevecht af te breken. Het team wist zich succesvol terug te trekken. Slechts één van de soldaten raakte lichtgewond.

Ze eindigt haar speech met de woorden:

.. maak van je ambitieuze hart geen moordkuil. Durf risico’s te nemen. Dat is wat ik zelf heb ervaren, dat is wat ik binnen de krijgsmacht elke dag weer mag ervaren en dat is wat bijvoorbeeld majoor Grandia in Afghanistan heeft laten zien.

Ze heeft daarvoor een gevechtsinsigne gekregen.

Maar zelfs dat ging niet vanzelf. In eerste instantie ontkenden de (Amerikaanse) mannelijke collega’s haar waardevolle rol. Een bekend fenomeen. De wetenschap noemt dit het ‘female combat taboo’. Majoor Grandia liet zich er niet door ontmoedigen, zij heeft zich verder ontwikkeld en ingezet. Binnenkort promoveert zij op een studie naar de besluitvorming rondom de Nederlandse missies. En natuurlijk heeft zij volkomen terecht haar gevechtsinsigne ontvangen. Waarvoor hulde!

Kippenvel.

In de hal van de FacultCertificaat dat garandeert dat vlag in Kabul heeft gewapperdeit Militaire Wetenschappen hangt sinds kort een heel vieze Nederlandse vlag. Meegenomen door een collega die net terug is van een uitzending in Kabul, Afghanistan. “Hij is wel gewassen”, zegt hij. Ik begrijp dat de Kabulse lucht nog net zo vies zwart is als toen ik er in 2006 was. De opening van Officier in Afghanistan begint niet voor niets met een schoonmaakscène*.

Certificaat

Vol trots hangt er een certificaat bij, met de handtekening van een Amerikaanse generaal erop.

Het certificaat garandeert dat de vlag ‘was flown in the face of the enemy over the NATO compound’. En niet zomaar, maar ter ere van de Faculty of Military Science. Ons dus.

Ondervragen

In een van de boeken in mijn proefschriftonderzoek komen dit soort vlaggen ook voor. In Vragenvuur (oorspronkelijke Engelse titel: The Interrogators) van de Amerikaanse ondervrager Chris Mackey worden in de ondervragingsruimte aan de muren Amerikaanse vlaggen opgehangen, waar de gevangenen constant door omringd worden. Deze vlaggen worden later in de kampwinkel te koop aangeboden met een soortgelijk certificaat. Het is niet zomaar een Amerikaanse vlag, maar een die langdurig in het aangezicht van een overwonnen tegenstander heeft gehangen. Ik moet eerlijk zeggen dat me dat toen ik het las een onbehagelijk gevoel gaf. Ik vond het van weinig respect naar de tegenstander toe getuigen. En nu hangt er iets soortgelijks bij mij in de gang.

Als ik over dat onbehagen met de vlagophanger praat, moet hij lachen: “Ach, het is leuke gespreksstof, nietwaar?”

Ik ben wel benieuwd naar wat u hiervan vindt. Voelt u zich hier ook ongemakkelijk bij, of vindt u zo’n lekker puh vlag juist een goed idee?

Zo'n lekker puh vlag vind ik...

View Results

Loading ... Loading ...

Nederlandse vlag die in Kabul heeft gewapperd* Dit is die openingsscène van Officier in Afghanistan:

Met een schoonmaakdoekje in mijn ene hand en een flacon met blauw ontsmettingsmiddel in de andere sta ik op mijn eerste dag in Afghanistan een bureau te poetsen. Dit was niet helemaal wat ik me had voorgesteld toen ik een half jaar geleden een telefoontje van het Operatie Centrum van de Luchtmacht kreeg met de vraag of ik zin had in een uitzending als hoofd bureau Lucht- en grondtransportplanning voor de NAVO in Afghanistan. Het beeld dat bij mij opkwam, was van een vluchtplanningskamer met grote televisieschermen, overal klokken met de tijden van vliegvelden over de hele wereld en rode tickertape waar de meest recente vluchtgegevens voorbijkwamen. Ik zag mezelf al in een stoer desertuniform met een kogelwerend vest eroverheen en een Lara Croft-holster om mijn rechterbeen.
Schoonmaakdoekjes en ontsmettingsmiddel kwamen in mijn fantasie niet voor.

Bestel een gesigneerd exemplaar

Archief

Categorieën