IED (wikipedia)“Wanneer heeft u eigenlijk gehuild, overste?” De cadet vraagt het met een lichte verwondering, zelfs een licht verwijt in zijn stem.

Het afgelopen uur heeft een zaal vol nieuwbakken cadetten en adelborsten de overste en een van zijn luitenants horen praten over wat een bermbom met dodelijke slachtoffers teweegbrengt.

De luitenant heeft met verstikte stem verteld hoe het is om in de verwarring ter plekke het commando over te nemen van zijn gedode vriend, hoe zijn team heeft gerouwd, heeft zijn twijfels gedeeld over of hij wel verder wilde met de missie en of hij wel de leiding definitief over wilde nemen.

De overste heeft het grotere plaatje geschetst: waarom het van belang was voor het imago naar de tegenstander toe om met patrouilles de poort uit te blijven gaan. Waarom het beter is dat de luitenant die al bekend is bij de mannen en vrouwen in het ‘theater’ het commando overneemt, dan een vreemde die wordt ingevlogen uit Nederland.

Het is goed om dat grotere plaatje te zien. Maar het verschil tussen de beheerste overste en de verstikte luitenant knaagt aan de zaal. Het is stil. Niemand beweegt als ze kijken naar de overste die zijn antwoord overweegt. Met dezelfde onverstoorbaarheid als daarvoor neemt hij het woord: “Pas twee dagen later was ik voor het eerst alleen. Ik was om 9 uur ’s avonds klaar met werk, mijn kamergenoot was er niet. Toen heb ik even een potje gejankt”.

Het antwoord doet de zaal weer bewegen. Adem ontsnapt hier en daar. De opluchting is voelbaar: de menselijke maat is terug. Stoere mannen huilen.

Oplijnen (nl.aliexpress.com)“Esmeralda, zou jij een kinderles willen overnemen als ik weg ben?”, vraagt de balletdocent. “Natuurlijk”, antwoord ik. Wat kan er nou misgaan? Ik ben een ervaren docent (weliswaar aan een militaire universiteit, maar toch) en doe al meer dan twintig jaar aan klassiek ballet, dus dat moet lukken.

Die middag sta ik voor twaalf meisjes van een jaar of zes, zeven. Het duurt even (nou ja: best lang) voor ik ze keurig opgelijnd heb. Als het eindelijk gelukt is, draai ik me om en loop drie stappen naar de cd-speler om de muziek aan te zetten. Als ik weer opkijk is de zaal gevuld met meisjes die overal staan, behalve op het rijtje waar ik ze had neergezet. Aaaahhhhh.

De rest van de les gaat niet veel beter. Meisjes van die leeftijd hebben een ernstig gebrek aan discipline is mijn conclusie. Het zijn net kikkers.

Als ik een paar dagen later dit verhaal vertel aan een vriendin die balletdocent is (en voor wie mijn respect plotseling ernstig is toegenomen) moet ze verschrikkelijk lachen.

“Maar hoe kom je er dan ook bij om ze je rug toe te keren?”.

“Hoezo, ze zijn toch niet de vijand?” vraag ik.

Ze kijkt me nasnikkend aan: “Oh, nee?”.

Mij is het duidelijk: ik prefereer een klas met zestig jong-volwassen militairen boven één met twaalf kleine meisjes. Minder vijandig en een stuk makkelijker op te lijnen.

Hoer op Quest (foto Denise Leidelmeijer)Ik was op Beukbergen, het vormingscentrum van de krijgsmacht. Met 10 andere vrouwen van het Defensie vrouwennetwerk op een themabijeenkomst over mindfulness. Leuk. Even het gevoel hebben dat het volstrekt normaal is om als vrouw bij defensie te werken, in plaats van een van de 10% te zijn.

Tot we op de leestafel een Quest zagen liggen met het thema ‘vrouwen de baas’. Op de voorkant had iemand met blokletters het woord ‘hoer’ geschreven.

De mindfulnesstraining kwam gelijk goed van pas.

 

“Waar ben je eigenlijk doctor in geworden?” vraagt iemand op de borrel.

Ik heb geen idee. Ik ben een bedrijfskundige, maar promoveer aan de Erasmus School of History, Culture and Communication, bij een socioloog en een historicus op een interdisciplinair onderwerp dat literatuurwetenschappen, sociologie, psychologie, geschiedenis en militaire wetenschappen combineert.

Vanochtend pak ik nieuwsgierig de bul erbij, benieuwd naar het antwoord. Het is een prachtige bul, met het logo van de Erasmus Universiteit in reliëf, deels met de hand gekalligrafeerd en met een vuistgroot, rood zegel eronder. Om het af te maken is het opgesteld in de lingua franca van de wetenschap van een paar eeuwen geleden: Latijn. Indrukwekkend, maar niet bijster behulpzaam.

Voor zover mijn twee jaar Latijn reikt, denk ik dat het antwoord in de zinsnedes ‘in disciplinis ingenuis disquisitionem’ en de ‘ut bonarum artium studiosi peractis studiis’ zit. Maar geen idee wat dan.

Met lichte tegenzin maak ik voor het eerst van mijn leven gebruik van de vijand van de professionele vertaler: Google Translate. Tot mijn grote opluchting komt Google Translate niet veel verder dan ‘vrije kunsten van voltooide studies’ en ‘liberale nominaties’. Voorlopig hebben wij menselijke vertalers nog genoeg te doen.

Maar wat ik nou ben? Doctor in de liberal arts? Wie het weet mag het zeggen. Maar zoals een collega doctor op de borrel zei: “Ik heb eigenlijk geen idee waar ik doctor in ben. Boeien.”

Mijn proefschrift On Military Memoirs lezen? Dat kan hier.

Het lekenpraatje beluisteren (14:50)? Dat kan hier.

I get often asked: will you be writing a new book?  The answer is: yes, I’ve been working on it for the last four years. But it will be a different book than Officier in Afghanistan. Instead of a military autobiography, it will be a book ABOUT military autobiographies: my PhD research.

It is now almost ready. At the moment, the inner doctoral committee (‘de leescommissie’) is reading the manuscript and when they are happy with it, the accompanying promotion ceremony will be held at the Erasmus University Rotterdam on the symbolic date of September 11 at 13:30 hours .

To give you some idea of the exciting results of this research, I would like to share the fifteen most remarkable statistical results. They come from the study of all military Afghanistan memoirs that were published between 2001 and 2010 in five different countries: the US, the UK, Canada, Germany and the Netherlands. They answer the three main research questions: who are these soldier-authors, what do they write about and why do they write?

 Who

  • On average it takes military authors of immediate memoirs two years before they publish a book after having been deployed, irrespective of whether they publish with a self-publisher or a traditional publisher.
  • In a warrior nation a book is 12 times more likely to be written by a combat soldier than in a non-warrior nation.
  • Independent of country, combat soldiers are nine times more likely to get published by a traditional publisher than their combat support colleagues.
  • Even though the individually deployed soldier is more likely to be a writer than the soldier who is deployed with his own unit, traditional publishers are five times more interested in publishing the stories from people who went with their own unit than from the individually deployed ones.
  • The same goes for professional soldiers, they are almost eight times more likely to get published by a traditional publisher than a reservist

What

  • Revelatory plots (growth and disenchantment plots together) make up the majority (69%) of Afghanistan memoirs.
  • Working soldiers are nine times more likely to write positive plots than former soldiers.
  • A combat soldier-author is almost four times more likely to write a negative plot than a combat support soldier.
  • Soldier-authors with a traditional publisher are four times more likely to add a truth claim to their books than self-publishers.
  • A large part of all soldier-authors (59%) make some kind of disclaimer as to the content of their book; almost always (in 97% of the cases) about some form of self-censorship for operational security reasons, rarely (12%) for literary reasons.

Why

  • 78% of all soldier-authors feel the need to explicitly explain why they wrote and published their book.
  • A positive plot is five times more likely not to have an explanatory motivation text than a negative plot.
  • Authors of negative plots are five times more likely to voice a desire for change than authors of positive plots.
  • Soldier-authors who write that they themselves have experienced some kind of mental adaptation problem (such as PTSD symptoms or prolonged alienation) are eighteen  times more likely to admit to writing as a form of therapy than people who do not write about these problems.
  • Of all soldier-authors who give self-help motives, 79% is individually deployed, and individually deployed soldiers are almost six times more likely to give self-help motives than soldiers who have been deployed with their own unit. 
Read the entire thesis here.
Listen to and look at the public defense ceremony (15 minutes, in Dutch)
Bestel een gesigneerd exemplaar

Archief

Categorieën